Publicaties

Vrijgestelde sociale voordelen

Bepaalde aan werknemers en bedrijfsleiders verstrekte sociale voordelen, zijn in hoofde van de genieters belastingvrij (artikel 38, §1, eerste lid, 11° WIB1992). Daartegenover staat tegelijk dat deze kosten in hoofde van de werkgever of vennootschap niet aftrekbaar zijn als beroepskost, en dus dienen opgenomen te worden onder de verworpen uitgaven (artikel 53, 14° WIB1992).

Volgens de wet gaat het hier om:

  • voordelen waarvoor het wegens de wijze van toekenning niet mogelijk is het door iedere verkrijger werkelijk verkregen bedrag vast te stellen;
  • voordelen die, alhoewel individualiseerbaar, niet de aard van een werkelijke bezoldiging hebben;
  • geringe voordelen of gelegenheidsgeschenken verkregen naar aanleiding van gebeurtenissen die niet rechtstreeks in verband staan met de beroepswerkzaamheid.

Standpunt Administratie

De Commentaar op het wetboek leert ons dat sociale voordelen "onbelangrijke" voordelen zijn die met een uitgesproken sociaal oogmerk door de werkgever worden verstrekt, ongeacht of die verstrekking voor de werkgever verplicht of vrijwillig is en al dan niet door bemiddeling van een sociale kas geschiedt en zulks met de bedoeling de betrekkingen tussen het personeel te verbeteren en de binding van het personeel aan de onderneming te bevorderen.

Daarnaast stelt de Administratie in haar circulaires dat anciënniteitpremies kunnen worden aanzien als een sociaal voordeel in de mate dat de anciënniteitpremies naar aanleiding van 25 (35) jaar dienst worden toegekend en maximum één keer (twee keer) het brutobedrag van de maandwedde bedragen. Of dat ook belangrijke bedragen betaald in cash, onder bepaalde (uitzonderlijke) omstandigheden kunnen worden beschouwd als een sociaal voordeel.

Recente rulings

Recentelijk heeft de Rulingcommissie enkele beslissingen afgeleverd rond deze topic.

Twee beslissingen draaiden rond het toekennen van een premie van 150 respectievelijk 500 EUR door een vennootschap naar aanleiding van haar vijftigjarig respectievelijk zestigjarig bestaan. In beide gevalen oordeelde de Rulingcommissie dat dit kon beschouwd worden als een (collectief) sociaal voordeel, vrijgesteld in hoofde van de genieters, en met opname door de vennootschap in haar verworpen uitgaven.

een andere casus had betrekking op het verstrekken van fietsen aan alle werknemers naar aanleiding van het tienjarig bestaan van de groepsstructuur waarvan de toekennende vennootschap de moedervennootschap was. Ook hier oordeelde de Rulingcommissie positief [noot van de redactie: mogelijks was het interessanter geweest de toekenning van de fietsen als bedrijfsfietsen te laten kwalificeren vermits deze ook niet belastbaar zijn bij de gebruiker, en zij dan wel aftrekbaar zijn aan 120 procent van de uitgave in hoofde van de vennootschap].

Een laatste casus had betrekking op de verstrekking van een Ipad aan alle werknemers naar aanleiding van het afsluiten van zeer belangrijke licentiecontracten door een onderneming, hetgeen voor die onderneming als een mijlpaal in haar bestaan kon beschouwd worden. De Rulingcommissie oordeelde ook hier positief, zeker omdat op de Ipad een verwizjing aangebracht werd naar deze gebeurtenis (aandenken).