Publicaties

Toepassing van de liquidatiereserve ook voor winsten m.b.t. de aanslagjaren 2013 en 2014

Vanaf 01 oktober 2014 bedraagt de roerende voorheffing op liquidatieboni 25 procent, waar voorheen naar aanleiding van een vereffening van de vennootschap de bestaande reserves werden belast aan 10 procent.
Ondertussen heeft de regering er voor gezorgd dat onder voorwaarden het toch mogelijk blijft dat er uiteindelijk slechts 10 procent roerende voorheffing dient betaald te worden.

Situatieschets

Veronderstel een vennootschap waarvan het boekjaar gelijk loopt met het kalenderjaar.

  1. De overgangsmaatregel die in het leven werd geroepen naar aanleiding van de tariefverhoging van 10 procent naar 25 procent, zorgde er voor dat de op 31 maart 2013 door een algemene vergadering goedgekeurde reserves konden worden uitgekeerd als dividend mits het betalen van 10 procent roerende voorheffing en mits het incorporeren van het netto dividend in kapitaal. De geĆÆncorporeerde reserves hebben het karakter van fiscaal volstort kapitaal gekregen doch in die zin dat ze na vier jaar (kleine vennootschap) of na acht jaar (grote vennootschap) belastingvrij kunnen worden uitgekeerd naar aanleiding van een kapitaalvermindering. 10 procent is met andere woorden op deze reserves de eindbelasting. In de praktijk kwam het in de meerderheid van de gevallen er op neer dat enkel de reserves tot en met het boekjaar 2011 voor deze fiscale regel in aanmerking kwamen.
  2. Vanaf het boekjaar 2014 kan de winst na belasting worden bestemd als een liquidatiereserve mits het betalen van een afzonderlijke aanslag gelijk aan 10 procent. Op het moment van de vereffening van de vennootschap is er verder geen belasting meer verschuldigd op deze reserves. Wat dus is feite neerkomt op een taxatie van liquidatieboni aan een tarief van 10 procent roerende voorheffing. Enkel kleine vennootschappen komen voor deze maatregel in aanmerking. In het geval deze reserves niet tot op het moment van de ontbinding in de vennootschap blijven, maar gaandeweg worden uitgekeerd als dividend, is er extra 15 procent roerende voorheffing verschuldigd in het geval van een dividenduitkering binnen de vijf jaar, of dient er extra 5 procent roerende voorheffing te worden betaald bij een dividenduitkering na vijf jaar.

Wat er dus op neerkomt dat de reserves die zijn ontstaan in de boekjaren 2012 en 2013 zouden ontsnappen aan de mogelijkheid om af te rekenen aan 10 procent.

Dat wil de fiscus vermijden via de invoering van de bijzondere liquidatiereserve en dit met uitbreiding in de algemene regel naar winsten met betrekking tot de aanslagjaren 2013 en 2014. De principes liggen vast in de programmawet die kortelings ter stemming wordt voorgelegd aan het Parlement.

Bijzondere liquidatiereserve

De bijzondere liquidatiereserve volgt in hoofdlijnen de principes van de gewone liquidatiereserve. Ze geldt enkel voor kleine vennootschappen, te beoordelen voor het boekjaar dat verbonden is met aanslagjaar 2013, respectievelijk aanslagjaar 2014.

Het bedrag dat in aanmerking komt om aan te leggen als liquidatiereserve is maximaal de boekhoudkundige winst na belastingen voor het boekjaar verbonden aan aanslagjaar 2013, respectievelijk 2014. Dit op voorwaarde dat de reserves (i.o. overgedragen winsten) nog in de vennootschap aanwezig zijn bij het begin van het boekjaar waarin de bijzondere aanslag op de bijzondere liquidatiereserve wordt betaald.

Die bijzondere aanslag bedraagt 10 procent. Op de bijzondere liquidatiereserve zal op het moment van de vereffening van de vennootschap geen bijkomende belasting moeten worden betaald. Of met andere woorden, het komt er op neer dat de heffing van 10 procent de eindbelasting is. Wordt de reserve toch eerder uitgekeerd als dividend, dan kan dit mits het betalen van extra 15 procent roerende voorheffing bij een dividenduitkering binnen de vijf jaar of mits het betalen van 5 procent roerende voorheffing bij een dividenduitkering na vijf jaar.

Van belang is wel dat de oplegde timing wordt nageleefd. Met betrekking tot de winsten van het aanslagjaar 2013 dient de bijzondere heffing van 10 procent te worden betaald ten laatste op 30 november 2015. Met betrekking tot de winsten van het aanslagjaar 2014 dient de bijzondere heffing van 10 procent te worden betaald uiterlijk op 30 november 2016.