Publicaties

De (gewone) investeringsaftrek voor vennootschappen is terug van weggeweest...

Wat was…

Vanaf aanslagjaar 2007 is de gewone en gespreide investeringsaftrek in het stelsel van de vennootschapsbelasting gesneuveld. T.t.z. het tarief van de aftrek is op nul gezet, wat de facto neerkomt op de afschaffing van de fiscale gunstmaatregel. Dit als (financiële) compensatie voor de invoering van de notionele intrestaftrek.

De verhoogde investeringsaftrek is wel steeds blijven bestaan. Wat dat betreft gaat het in hoofdzaak om een bijkomende fiscale aftrek voor milieuvriendelijke en energiebesparende investeringen en investeringen in beveiliging. Ook is er een eenmalige aftrek voor investeringen in het hergebruik van verpakkingen.

… en wat nu is.

De gewone investeringsaftrek is terug ingevoerd in het kader van het relanceplan van de Regering. Doch slechts tijdelijk. Enkel investeringen gedaan in de jaren 2014 en 2015 komen in aanmerking. Het tarief van de investeringsaftrek bedraagt 4 procent.

Wat wordt concreet bedoeld? Veronderstel een vennootschap die investeert in een nieuw machinepark. De kostprijs hiervan is 100.000 euro. Naast het feit dat ze deze investering kan afschrijven over de normale economische levensduur heeft de vennootschap ook recht op een eenmalige bijkomende fiscale aftrek van 4 procent berekend op de aanschaffingswaarde, oftewel 4.000 euro (100.000 euro x 4%).

Wat blijft…

De regels omtrent in aanmerking komende activa en uitgesloten investeringen zijn dezelfde gebleven.

Er moet aan vier voorwaarden zijn voldaan opdat investeringen in materiële en immateriële vaste activa in aanmerking kunnen komen voor de investeringsaftrek:

  1. ze zijn afschrijfbaar;
  2. en tijdens het boekjaar;
  3. in nieuwe staat verkregen of tot stand gebracht;
  4. om in België te gebruiken voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid.

Komen niet in aanmerking voor de investeringsaftrek:

  1. vaste activa die niet uitsluitend worden gebruikt voor beroepswerkzaamheden;
  2. vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met het doel het recht van gebruik ervan bij leasingcontract of bij overeenkomst van erfpacht of opstal, of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde over te dragen, ingeval die vaste activa kunnen worden afgeschreven door de onderneming die het recht heeft verkregen;
  3. vaste activa waarvan het gebruiksrecht aan een derde is afgestaan op een andere manier dan via leasing, erfpacht, recht van opstal of een ander soortgelijk recht;
  4. vaste activa die niet afschrijfbaar zijn en vaste activa waarvan de afschrijving over minder dan 3 belastbare tijdperken is gespreid;
  5. personenauto's en auto's voor dubbel gebruik met een uitzondering voor voertuigen die uitsluitend gebruikt worden voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder en voor voertuigen die in erkende autorijscholen uitsluitend worden gebruikt voor praktisch onderricht en daartoe speciaal zijn uitgerust;
  6. bij de aankoopprijs komende kosten en onrechtstreekse productiekosten wanneer die kosten niet samen met de vaste activa waarop zij betrekking hebben worden afgeschreven.

… en wat verandert.

Het heringevoerd systeem van gewone investeringsaftrek verschilt op een aantal punten met de vroegere wetgeving.

1. Enkel kleine vennootschappen komen in aanmerking.

Om te beoordelen of een vennootschap klein of groot is, wordt verwezen naar de bepalingen van artikel 15 W. Venn. Een vennootschap is klein wanneer in het laatste en het voorlaatste afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende drie criteria (op geconsolideerde basis) wordt overschreden:

  • omzet excl. Btw: 7.300.000 euro;
  • balanstotaal: 3.650.000 euro;
  • jaargemiddelde personeelsbestand: 50.

Een vennootschap is sowieso groot wanneer het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 100 bedraagt.

Het tijdstip van beoordeling over groot en klein is het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk waarin de investering wordt verricht.

2. De investeringsaftrek kan niet worden gecombineerd met de notionele intrestaftrek.

In het belastbaar tijdperk waarin de investering wordt gedaan dient er dus te worden gekozen voor de investeringsaftrek of voor de notionele intrestaftrek.

Een cumulatie van investeringsaftrek met de aftrek van overgedragen notionele intrestaftrek is wel mogelijk.

De combinatie van investeringsaftrek met de investeringsreserve vormt geen probleem. Maar weet dat kiezen voor de investeringsreserve impliceert dat ook in de volgende twee belastbare tijdperken geen notionele intrestaftrek mogelijk is. De investeringsreserve geeft ook slechts aanleiding tot een tijdelijke vrijstelling van belastingen.

3. Beperkte overdracht van de niet-gerecupereerde investeringsaftrek

De investeringsaftrek die ontstaat naar aanleiding van investeringen in 2014 en 2015, maar in het jaar van ontstaan zelf niet fiscaal kan worden afgetrokken wegens het gebrek aan voldoende belastbare winst, is slechts overdraagbaar naar het volgende belastbare tijdperk. Dus geen onbeperkte overdracht in de tijd meer zoals vroeger de regel was. Is de fiscale aftrek niet mogelijk in het volgende belastbare tijdperk, dan is ze onherroepelijk verloren.

Gecumuleerde investeringsaftrek uit het verleden blijft evenwel onbeperkt in de tijd recupereerbaar.

4. Activa die worden afgetrokken van de berekeningsbasis voor de notionele intrestaftrek komen niet in aanmerking voor investeringsaftrek
 
5. De investeringen dienen rechtstreeks verband te houden met de bestaande of geplande economische werkzaamheden.

 

Het is niet voldoende dat een investering kan worden gekoppeld aan een bepaling die is opgenomen in het doel van de vennootschap. Er wordt gekeken naar de effectieve handelsactiviteiten.