Publicaties

Begrotingsmaatregelen 2013: welke wijzigingen zijn op til?

Op 29 maart 2013 bereikte het kernkabinet een akkoord over een aantal maatregelen die het begrotingstekort voor het jaar 2013 moeten terugdringen tot 2,40% van het BNP. Naast het doorvoeren van een aantal (structurele) besparingen, werd tevens gezocht naar nieuwe inkomsten. En er werd ruimte gevonden voor een aantal fiscale nieuwigheden.

Hoe dan ook is het onderstaande onder voorbehoud. Alles moet nog in wetteksten worden gegoten. En het is dus nog afwachten hoe een aantal details zullen worden uitgewerkt.

Roerende voorheffing op dividenden daalt onder voorwaarden van 25% naar 20% of 15%

Vanaf 1 januari 2013 worden uitgekeerde dividenden belast tegen een uniform tarief van 25%. Onder specifieke voorwaarden brengt de regering dit tarief terug tot 20% voor dividenden uitgekeerd in het derde jaar na uitgifte van de betrokken aandelen en tot 15% voor dividenden uitgekeerd vanaf het vierde jaar na uitgifte van de betrokken aandelen.

De verlaging van de roerende voorheffing wordt enkel toegekend aan KMO’s. De regering stimuleert hiermee de kapitaalvorming in KMO’s. Tot op heden is niet duidelijk hoe de fiscus in deze casus het begrip KMO zal aflijnen. In fiscalibus is reeds gebleken dat er voor verschillende fiscale maatregelen verschillende definities worden gegeven aan het begrip KMO. Of zal de regering terugvallen op artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen dat de criteria omvat om een onderscheid te maken tussen kleine en grote vennootschappen?

Komen enkel in aanmerking voor het verlaagde tarief in de roerende voorheffing, dividenden op aandelen die:

  • uitgegeven zijn vanaf 2013;
  • een inbreng in geld vertegenwoordigen;
  • op naam zijn;
  • en gedurende een periode van drie respectievelijk vier jaar ononderbroken in het bezit zijn gebleven van de aandeelhouder die de inbreng in geld deed.

Wanneer aan bovenvermelde voorwaarden is voldaan zullen dividenden uitgekeerd in het derde jaar na uitgifte van voormelde aandelen kunnen genieten van een roerende voorheffing van 20% (in plaats van 25% gedurende de eerste twee jaren). Vanaf jaar vier zullen deze dividenden onderworpen worden aan een tarief van 15%.

Het 15%-tarief blijft gelden na het vierde jaar ongeacht het feit of de vennootschap al dan niet nog als een KMO blijft kwalificeren. Evenzeer zal bij liquidatie van de onderneming het tarief van 15% gehandhaafd blijven.

Liquidatiebonus van 10% naar 25%

Het tarief aan roerende voorheffing dat wordt aangerekend in het kader van een liquidatie van een vennootschap (liquidatiebonus) bedraagt vandaag de dag 10%. De regering heeft beslist om dit tarief vanaf 1 oktober 2014 te verhogen tot 25%.

De aandeelhouder kan met andere woorden blijvend genieten van het 10%-tarief voor liquidatieboni ontvangen tot en met 30 september 2014. Voor ontbindingen en vereffeningen vanaf 1 oktober 2014 gelden de nieuwe regels.

Incorporatie van reserves in kapitaal aan 10% - na vijf jaar belastingvrije uitkering

De regering voorziet een maatregel om het eigen vermogen van de vennootschappen te verstevigen.

Tot 30 september 2014 zullen vennootschappen de mogelijkheid hebben om belaste reserves tegen een tarief van 10% roerende voorheffing te incorporeren in het kapitaal. Behoudt de vennootschap deze reserves gedurende vijf jaar, dan zal hun latere uitkering (in het geval van een kapitaalvermindering) belastingvrij kunnen gebeuren.

Indien een buitengewone algemene vergadering vroegtijdig (lees voor afloop van de vijf jaar) wenst over te gaan tot een kapitaalvermindering dan zullen de uitgekeerde reverse onderworpen zijn aan een tarief van:

  • 15% in het geval van een kapitaalvermindering in het eerste of het tweede jaar na de incorporatie van de reserves;
  • 10% in het geval van een kapitaalvermindering in het derde jaar na de incorporatie van de reserves;
  • 5% in het geval van een kapitaalvermindering in het vierde jaar na de incorporatie van de reserves.

Notionele Interestaftrek: nieuwe anti - misbruikbepaling

De nieuwe antimisbruikbepaling moet vermijden dat de gezamenlijke toepassing van de notionele interestaftrek en de DBI – aftrek zorgt voor een tweevoudig fiscaal voordeel.

Vandaag de dag kunnen de als geldbeleggingen aangehouden aandelen twee fiscale vliegen vangen in één klap:

  • In het geval de ontvangen dividenden betrekking hebben op aandelen die voldoen aan een aantal kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden komen zij in aanmerking voor de zogenaamde DBI-aftrek. Deze aftrek komt er op neer dat de ontvangen dividenden ten belopen van 95 procent worden afgetrokken van de belastbare basis. Hierdoor bedraagt de fiscale druk op dergelijke dividenden slechts 1,7 procent (zijnde 33,99 procent van 5 procent).
  • Daarnaast moeten deze als geldbelegging aangehouden aandelen volgens de huidige regels niet in mindering worden gebracht van de berekeningsgrondslag van de notionele intrestaftrek (in tegenstelling tot financiële vaste activa).

Hieraan wordt een halt toegeroepen vanaf aanslagjaar 2014 (dit zijn de boekjaren eindigend per 31 december 2013 of eindigend op een datum in de loop van het kalenderjaar 2014).

Want vanaf dan moeten de als geldbeleggingen aangehouden aandelen die voldoen aan de DBI-voorwaarden van de berekeningsbasis van de notionele intrestaftrek worden afgetrokken.

In het geval de aandelen die als geldbeleggingen worden aangehouden niet voldoen aan de voorwaarden van de DBI-aftrek, zullen deze niet uit de berekeningsgrondslag van de notionele interestaftrek moeten worden verwijderd.

Diverse Maatregelen

De accijnzen op tabak worden verhoogd en ontsnappen dus wederom niet aan de begrotingscontrole.

Het evenredig registratierecht verschuldigd bij de vestiging of de overdracht van erfpacht of opstal wordt opgetrokken van 0,2% naar 2% (of 0,5% indien het een VZW betreft).

Het algemeen vast recht inzake registratie verdubbeld van 25 euro naar 50 euro.